Tove Ditlevsen (1917–1976) schijnt heel beroemd te zijn maar ik heb nog nooit van haar gehoord. Ik houd de literaire bijlagen ook niet meer zo bij. Zij was een schrijfster die opgroeide in de jaren twintig en dertig in een arme arbeiderswijk in Kopenhagen in een flatje van 30 vierkante meter met vader, moeder en broer. De meeste vrouwen om hen heen waren huisvrouw en het doel van hun leven was het vinden een man met een nette vaste baan. Door de kleine woning met slechts één slaapkamer was het erg benauwd thuis. Erg liefdevol was het leven niet. De vader was socialist en hield van boeken. Van jongs af aan had Tove al literaire aspiraties, maar die werden niet aangemoedigd.
Als kind voelde ze zich heel eenzaam: ze had weinig met de meisjes om zich heen en hun geroddel. Haar enige vriendin was een onbevreesde roodharige, met wie ze chocola uit winkels stal. Maar ook dat wilde ze eigenlijk niet. Liever dook ze in de paar boeken die ze van haar vader had gekregen, en schreef ze versjes met mysterieuze woorden die in haar opwelden. In dit Kindertijd schreef ze over de donkere kanten van haar jeugd, de armoede, eenzaamheid en de complexe, kille relatie met haar moeder.
Het is het eerste deel uit haar Kopenhagen-trilogie. In het tweede deel Jeugd schrijft ze over haar tienerjaren, voorafgaand aan haar eerste publicatie. Afhankelijkheid, het derde deel, is een nietsontziend portret van een verslaving – en de weg daaruit. Ze schreef de boeken in een psychiatrische inrichting, waar ze van haar verslavingen probeerde af te komen.
Lang is ze beschouwd als een schrijver die niet in de literaire kringen van haar tijd paste: een huisvrouw uit de arbeidersklasse met vier gestrande huwelijken en een drugsverslaving, waar ze ook nog eens openhartig over schreef. Nu heeft een nieuwe generatie wereldwijd haar oeuvre ontdekt. Ze wordt nu gezien als een van de grote literaire sterren van Denemarken. Haar rauwe en proza wordt geprezen, alsook haar 'genadeloze' en nietsontziende zelfportret.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten